Schematische voorstelling: detectie en zorgplan bij risicogroepen

Chronisch nierlijden is in onze maatschappij een groeiend probleem en vergt een gecoördineerde zorgaanpak. Verscheidene studies hebben immers aangetoond dat een vroegtijdige geïntegreerde multidisciplinaire aanpak de morbiditeit en mortaliteit in deze patiëntengroep vermindert. De introductie van het zorgtraject chronische nierinsufficiëntie in de lente van 2009 is dan ook een stap in de goede richting.

 

Chronische nierinsufficiëntie vormt een frequent gezondheidsprobleem dat leidt tot een verhoogde morbiditeit en mortaliteit. De voornaamste oorzaken van chronisch nierlijden zijn diabetes mellitus type II en arteriële hypertensie. De incidentie en prevalentie van chronisch nierlijden zijn de voorbije jaren duidelijk toegenomen, voornamelijk ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking en de huidige diabetesepidemie.

Maatregelen

Chronische nierinsufficiëntie op zich, en meer nog de snelheid van achteruitgang van de nierfunctie, verhogen het risico op hart- en bloedvatziekten. Bij patiënten met chronisch nierlijden is een oorzakelijke behandeling van het onderliggende nierlijden vaak niet mogelijk. Het is daarom essentieel om de nodige medicamenteuze interventies en dieetmaatregelen, die de evolutie naar terminaal nierlijden vertragen, zo vroeg mogelijk in het ziekteproces te introduceren. Deze maatregelen bestaan enerzijds uit het aanpakken van gekende risicofactoren zoals diabetes, dyslipidemieën, hypertensie en een reductie van de proteïnurie, en anderzijds uit het vroegtijdig opvangen van de complicaties van nierinsufficiëntie zoals metabole acidose, hyperfosfatemie en renale anemie. Veranderingen in levensstijl zoals een zoutarm dieet, vermagering, rookstop, meer beweging en het vermijden van nefrotoxines (NSAID’s, joodhoudende contraststoffen) zullen eveneens de achteruitgang van de nierfunctie vertragen.

Uiteraard is het opstarten van deze maatregelen effectiever indien dit gebeurt bij een minder ver gevorderd stadium van nierinsufficiëntie, waardoor de evolutie naar terminaal nierfalen tot 10 jaar kan worden vertraagd. Dit onderstreept het belang van een vroegtijdige detectie van chronisch nierlijden. Bijgevolg is het screenen van risicogroepen en de strikte behandeling in een multidisciplinaire aanpak, met nauwe samenwerking tussen huisartsen en specialisten, primordiaal. Desondanks verwijzen zowel specialisten als huisartsen nog steeds 30% van de patiënten laattijdig door, wat leidt tot een verhoogde mortaliteit maar ook tot meer hospitalisaties, een urgente dialysestart, een lagere levenskwaliteit voor de patiënt en een verhoogde kost voor de maatschappij.

Zorgtraject

Tegen deze achtergrond werd het Zorgtraject Chronische Nierinsufficiëntie in juni 2009 gelanceerd in België, alsook in het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, zodat alle patiënten met een matige nierinsufficiëntie (stadium 3B: GFR 30-45 ml/min.) opgenomen kunnen worden in een multidisciplinaire samenwerking tussen de patiënt, de huisarts en de nefroloog. Hierdoor kan de behandeling vroeger worden gestart, bijgestuurd en gecoördineerd. Bij verder gevorderd nierlijden (stadium 4: GFR 15-29 ml/min.) bereidt het predialyseteam de patiënten in dit zorgtraject – indien geïndiceerd – ook voor op één van de verschillende vormen van nierfunctievervangende behandeling (peritoneale dialyse, hemodialyse en niertransplantatie).

Om in aanmerking te komen voor het zorgtraject chronische nierinsufficiëntie moeten de patiënten een creatinineklaring van minder dan 45 ml/min. hebben (tweemaal gemeten met een interval van drie maanden) of een proteïnurie van meer dan 1g/24 uur (tweemaal gemeten met een interval van drie maanden). De patiënten moeten ouder zijn dan 18 jaar en in staat tot ambulante follow-up. Dialysepatiënten en niertransplantatiepatiënten komen niet in aanmerking voor het zorgtraject.

Het zorgtraject chronische nierinsufficiëntie staat dus voor een georganiseerde aanpak en opvolging van iedere patiënt, waardoor men tijdig een gepersonaliseerd actieplan kan opstarten op basis van de oorspronkelijke aandoening en het stadium van nierfalen. Het beoogt een optimale samenwerking tussen huisarts, specialist en andere zorgverstrekkers (diëtiste, verpleegkundige) te verwezenlijken en de patiënt maximaal te informeren. Door de educatie van de patiënt en zijn omgeving verbetert de kennis en het ziekte-inzicht, waardoor het zelfmanagement en de therapietrouw eveneens toeneemt. Hierdoor trachten we de evolutie naar terminaal nierlijden te voorkomen of af te remmen en de kwaliteit van onze zorg te verbeteren.

Enkele zorgverleners van het predialyseteam van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV:
v.l.n.r. Marjan Moerman (sociaal assistente), dr. Erve Matthys, Christine Declercq
(hoofdverpleegkundige dialyse), Els Martelez (verpleegkundige), dr. An De Vriese,
Françoise Verhulst (verpleegkundige), dr. Stefaan Vandecasteele, dr. Barbara Van den
Bergh, Dieter Hermy (diëtist) en An Vanhaverbeke (verpleegkundige).

Ook nog in Artikels