skip to Main Content

Allogene stamceltransplantatie

Een allogene hematopoïetische stamceltransplantatie (SCT) is een behandeling waarbij de patiënt bloedvormende stamcellen van een donor toegediend krijgt. Deze behandeling heeft sinds de eerste toepassingen eind de jaren 70 heel wat ontwikkelingen doorgemaakt.

 

Een donor ondergaat een stamcelaferese, een poliklinische procedure waarbij
stamcellen uit het bloed worden gehaald.

Zo is de beenmergtransplantatie in de laatste twintig jaar gaandeweg vervangen door de transplantatie van stamcellen verkregen uit bloed. Bovendien kon de toepassing door de introductie van minder intensieve voorbereidende chemotherapie (de zogenaamde conditionering) uitgebreid worden naar oudere patiënten en patiënten met comorbiditeit. Ten slotte is dankzij het gebruik van alternatieve stamceldonoren, zoals haploidentieke familiedonoren en navelstrengbloed, tegenwoordig voor vrijwel elke patiënt een stamceldonor te vinden. De toepassing van de allogene SCT neemt wereldwijd jaarlijks toe. Deze groei geldt ook voor de dienst Hematologie van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, die reeds twintig jaar allogene stamceltransplantaties met familiedonoren, onverwante donoren en haplo-identieke familiedonoren toepast.

Waarom?

Een allogene SCT kan een groot aantal hematologische maligniteiten genezen waar elke conventionele therapie faalt. Dit krachtig antitumoraal effect is vooral het gevolg van een immuunreactie die de T-lymfocyten van de donor opwekken tegen de tumorcellen: het graft-versus-tumor effect. Er wordt immers niet enkel een bloedvormend maar ook een immuunsysteem getransplanteerd. Het antitumoraal effect gaat echter gedeeltelijk teniet door het optreden van transplantatiegebonden mortaliteit als gevolg van orgaantoxiciteit van de conditionering, infecties en graft-versus-host disease (GvHD). GvHD is een immunologische reactie van de T-lymfocyten van de donor tegen gezonde weefsels van de patiënt, die zich onder meer kan manifesteren als een erytheem van de huid, leverfunctiestoornissen en gastro-intestinale symptomen zoals anorexie en diarree. Ter preventie van GvHD krijgen patiënten gedurende meerdere maanden na de SCT cyclosporine toegediend. Bij het optreden van GvHD is soms krachtige immuunsuppressie met onder meer steroïden noodzakelijk.

Wie?

Een allogene SCT is dus niet zonder risico’s. Daarom wordt deze behandeling enkel toegepast als de risico’s van de SCT opwegen tegen de risico’s van de onderliggende ziekte. Als de kans op herval van een acute leukemie meer dan 80% bedraagt, is een allogene SCT aangewezen zodra de patiënt een complete remissie bereikt.

Ook bij een transplantatiegebonden mortaliteit van 20% is dan een duidelijk overlevingsvoordeel voor de patiënt te verwachten. Er is daarentegen meestal geen plaats voor een allogene SCT voor lymfomen in eerste complete remissie, waar de patiënt met de huidige conventionele therapieën vaak duurzame remissies bereikt gedurende meerdere jaren. Behalve de ziekte zullen ook de leeftijd en de comorbiditeit van de patiënt een rol spelen in de keuze voor een allogene SCT. Alles draait dus om een zorgvuldig wikken en wegen van de risico’s van de transplantatie en de risico’s van de ziekte.

Donoren

Het is van groot belang dat het weefseltype (het zogenaamde HLAtype) van de patiënt en de donor goed overeenkomen. Ongeveer 30% van de patiënten vinden een HLA-identieke familiedonor onder hun broers of zussen. Voor de overige patiënten kan men zoeken naar een vrijwillige onverwante donor in het wereldwijde donorregister dat meer dan 12 miljoen donoren bevat. Als niet tijdig een geschikte HLA-identieke familiale of onverwante donor opduikt, kan sinds enkele jaren ook voor een haplo-identieke (half identieke) familiedonor geopteerd worden. Haplo-identieke donoren komen slechts voor de helft van de HLAgenen overeen met de patiënt, en kunnen broers of zussen maar ook ouders of kinderen zijn.

Het stamceltransplantaat wordt enkele uren na de stamcelaferese toegediend aan de patiënt.

Om ernstige immunologische reacties te voorkomen, voert het laboratorium een T-celdepletie uit op het transplantaat, waarbij het overgrote deel van de T-lymfocyten wordt verwijderd. De kans op alloreactiviteit (afstoting van het transplantaat enerzijds en GvHD anderzijds) tussen de donor en de patiënt is namelijk veel hoger dan bij een transplantatie met een HLAidentieke familiedonor of onverwante donor. T-celdepletie kan echter ook de kans op recidief na de transplantatie doen toenemen. Daarom worden ook procedures ontwikkeld om T-celdepletie achterwege te kunnen laten, onder andere door chemotherapie na de transplantatie toe te dienen.

Haplo-identieke transplantaties hebben als nadeel dat het herstel van de immuniteit heel langzaam verloopt, waardoor patiënten langdurig vatbaar zijn voor (opportunistische) infecties. In de laatste vijf jaar paste het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV meer dan 50 haplo-identieke stamceltransplantaties toe. Door  deelname aan internationaal opgezette studies werkt het ziekenhuis mee aan een verdere optimalisatie van deze behandelingsmodaliteit.

Back To Top