De steeds verbeterende diagnostiek en therapie van patiënten met een maligne tumoraal proces – mogelijk in combinatie met metastasering (ondermeer naar de lever) – zorgt ervoor dat patiënten een steeds betere levenskwaliteit en levensduur bekomen. Daarom moet een oncologische patiënt meer en meer beschouwd worden als een patiënt met een chronische aandoening. In het licht van deze verlengde levensduur én van het belang van een goede levenskwaliteit is het dan ook steeds belangrijker om een oncologische patiënt zoveel mogelijk orgaansparend te behandelen. Eén van de nieuwe radiologische behandelingsmethoden om organen zo veel mogelijk te ontzien en minimaal invasief te werk te gaan, is met behulp van percutane, beeldvormingsgeleide radiofrequentie ablatie (RFA).

Definitie

Radiofrequentie ablatie (RFA) is een techniek die op basis van vrijzetting van een elektrische stroom een verhitting en vernietiging van weefsel in het lichaam veroorzaakt.

Doelstelling

Het doel van percutane RFA is het wegbranden of ableren van een focaal tumoraal letsel in een buikorgaan (zoals lever en nier), in de long of in de onderhuid (subcutaan). Dat gebeurt door een elektrode/ naald doorheen de huid in een letsel te plaatsen. RFA verhoogt de temperatuur in het letsel door vrijzetting van elektrische stroom, die via een elektrode/naald in het centrum van dit letsel wordt geplaatst. Het plaatsen van deze naald gebeurt onder beeldvormende geleiding op de dienst radiologie. Meestal zal hiervoor gebruik gemaakt worden van echografie 1 (figuur 1a en 1b) of CTscan 2 . Zeldzamer zal dit onder MRI 3 gebeuren. RFA maakt het mogelijk om de (kwaadaardige) cellen in een focaal letsel te vernietigen dankzij een minimaal-invasieve behandeling en zonder een verdere operatie van het geableerde letsel.

x

Figuur 1: Echografisch beeld van een RFA-elektrode in ontplooide toestand in een levermetastase (witte pijl). In figuur 1a wordt de elektrode samen met enkele ontplooide tentakels weergegeven. In figuur 1b worden enkele tentakels in beeld gebracht.

Indicaties voor RFA

RFA is aangewezen bij de behandeling van focale (meestal kwaadaardige) letsels die ongunstig gelegen zijn voor een operatieve ingreep. Ook bij weefsels van patiënten die om algemene redenen niet in aanmerking komen voor een operatieve ingreep is RFA aangewezen. De beslissing over het al dan niet uitvoeren van een RFA wordt gezamenlijk genomen door meerdere specialisten (in domeinen als heelkunde, inwendige geneeskunde, oncologie, radiologie,…) tijdens zogenaamde Multidisciplinaire Oncologische Consult (MOC) vergaderingen. Vaak is het zo dat er naast RFA of heelkunde ook een bijkomende en ondersteunende behandeling wordt doorgevoerd, zoals het toedienen van chemotherapie of bestraling.

Verloop van het onderzoek

Eerst wordt een echografisch onderzoek uitgevoerd. Indien aangewezen volgt een aanvullend echografisch onderzoek met intraveneuze injectie van echografische contraststof (bijvoorbeeld SonoVue® ). Indien het letsel niet of moeilijk aantoonbaar is met behulp van echografie, is een CT-scan aangewezen. Daarna wordt de elektrode voor ablatie in het letsel geplaatst onder echogeleide beeldvorming of – indien nodig – onder CT-geleide beeldvorming.

Figuur 2: CT-grafisch beeld van een enkele minuten voordien geableerde levermetastase. Het CT-onderzoek werd uitgevoerd na toediening van intraveneuze contraststof. De geableerde zone komt duidelijk hypodens voor. In de periferie van deze ablatiezone is er een rand van contrastcaptatie als teken van een (te verwachten) inflammatoire reactie (post-ablatie inflammatoire rand). Er zijn geen complicatietekenen.

Verdere opvolging na RFA

Onmiddellijk na het uitvoeren van een RFA-procedure wordt er ter controle op vroegtijdige complicaties (zoals bloeding, pneumothorax) een CT-scan (figuur 2) uitgevoerd. Afhankelijk van het behandelde orgaan wordt de verdere opvolging van de patiënt besproken in het bovenvermelde MOC-comité. Meestal gebeurt de radiologische opvolging met behulp van MRI (figuur 3a en 3b) of echografie tijdens injectie van contraststof voor leverletsels en met CT voor long- en nierletsels.

Nevenwerkingen

Een mogelijke nevenwerking is algemene malaise die zich manifesteert als een griepaal syndroom (koorts, vermoeidheid, verminderde eetlust) in de loop van de eerste dagen (vooral tussen dag 2 en dag 4) na de RFA-behandeling. Tijdens en enkele uren na de RFA-behandeling is er een kans op focale bloeding en op infectie van de geableerde zone. Ernstigere nevenwerkingen zijn zeldzaam. Deze laatste worden vooral waargenomen bij patiënten met ernstige onderliggende ziekte, bij wie een plotse functiedaling van het behandelde orgaan kan optreden. Om deze nevenwerkingen accuraat te behandelen, is een hospitalisatieperiode van 1 tot 4 dagen aangewezen, afhankelijk van de toestand van de patiënt.

x

Figuur 3: MR-grafisch beeld van de hoger getoonde ablatiezone. De zone is twee maanden voordien geableerd. Typisch is er een hypo-intense zone (figuur 3a) zichtbaar op T2-gewogen beeldvorming op de plaats van ablatie als teken van afwezigheid van maligne cellen. De T2-hyperintensiteit centraal in beeld is een beperkte zone van weefselversterf. Dezelfde zone is (na 2 maanden) typisch spontaan (= zonder toediening van contraststof) hyperintens op een T1-gewogen beeld (figuur 3b). Dat is een teken van denaturatie van alle celeiwitten. Dit is uiteraard de bedoeling; de geableerde zone betreft louter een zone van inactief weefsel (‘gekookte metastase’).

Contactpersoon:

Kenneth Coenegrachts, M.D.
AZ Sint-Jan AV Brugge
Departement Radiologie –Medische Beeldvorming
kenneth.coenegrachts@azbrugge.be
Tel.: +32 (0)50 45 21 03
www.rxbrugge.be

 

1 Echografische onderzoeken maken gebruik van geluidsgolven voor beeldvorming; hierbij worden dus geen radioactieve stralen gebruikt.
2 CT-scan staat voor Computer Tomografische scan en laat toe om beelden doorheen het lichaam te maken door gebruik te maken van radioactieve stralen.
3 MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging en laat toe om beelden doorheen het lichaam te maken door gebruik te maken van magnetische golven; hierbij worden dus geen radioactieve stralen gebruikt