Het aantal zelfmoorden per jaar wordt wereldwijd geschat op 815.000 en is de dertiende belangrijkste doodsoorzaak. Het aantal pogingen met een niet-fatale afloop ligt tien- tot twintigmaal hoger. In 2006 vonden 166 opnames plaats in de Eenheid voor Psychiatrische Spoed Interventie (EPSI; AZ Sint-Jan AV & AZ Sint-Lucas, Brugge) als gevolg van een zelfmoordpoging. Bij 237 andere opnames was suïcidaliteit de voornaamste reden tot opname.

Aanpak van suïcide: nieuwe initiatieven

Door de omvang van de problematiek zijn wereldwijd programma’s opgestart om suïcide te voorkomen. In Vlaanderen werd op 19 juli 2007 de gezondheidsdoelstelling en het bijhorend actieplan ‘Preventie van zelfdodingen’ officieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering. De ambitieuze doelstelling is de sterfte door zelfdoding bij mannen en vrouwen tegen 2010 te verminderen met 8% ten opzichte van 2000 – dit betekent een daling met 94 suïcides. Om deze doelstellingen te bereiken, werden verschillende strategieën voorgesteld op het vlak van primaire, secundaire en tertiaire preventie:

1. Bevordering van de geestelijke gezondheid met betrekking tot het individu en de maatschappij

2. Laagdrempelige telezorg

3. Deskundigheidsbevordering van professionelen en ontwikkeling van netwerking

4. Uitlokking van zelfdoding vermijden (bv. duidelijke berichtgeving in de pers, verminderde beschikbaarheid van wapens)

5. Ondersteuning van bijzondere risicogroepen

 

Ook in regio Brugge werden de afgelopen jaren een aantal initiatieven genomen, zoals het zelfmoordpreventieproject van de Centra Geestelijke Gezondheidszorg, het ‘Tussen de lijnen’ project (2000- 2003) en het vormingsprogramma ‘Suïcidepreventie voor huisartsen’ (2006-2007).

 

Case management suïcide

In het AZ Sint-Jan AV ging in augustus 2006 het project ‘case management voor suïcide – pogers’ van start. Patiënten die zich aanmelden na een suïcidepoging worden op protocollaire wijze geëvalueerd en doorverwezen. Suïcidepogers werden als doelgroep gekozen gezien het sterk verhoogde risico op zelfmoord in deze patiëntengroep. Ongeveer 1% van de suïcidepogers pleegt binnen het jaar suïcide – een risico dat 66 maal hoger is dan bij de algemene populatie.

Dit project bouwt op de positieve ervaringen met case management in het federale pilootproject ‘Crisiseenheid voor patiënten met middelengebonden stoornissen’ (deel van EPSI) en sluit aan bij internationale en nationale ontwikkelingen inzake opvang van suïcidepogers. Netwerking en betere zorg (opvang en nazorg) van suïcidepogers op de spoedgevallendienst hebben hierbij een belangrijke plaats.

Het was een uitdaging om overlap te vermijden tussen het eigen project en bestaande regionale en natio nale initiatieven. Er werd gekozen om te vertrekken vanuit de aanwezige expertise binnen de EPSI (evaluatie, kortdurende behandeling en gerichte doorverwijzing van psychiatrische urgenties met bijzondere aandacht voor netwerking) en deze intensiever uit te bouwen voor de doelgroep van suïcidepogers.

Bij het project ‘case management voor suïcidepogers’ start het zorgtraject bij de aanmelding van een patiënt op de spoedgevallendienst. Somatische klaring en behandeling gebeuren door de poortwacht en/of urgentiearts. Daarna wordt de patiënt geëvalueerd door een psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater. Een eerste triage vindt plaats op de spoedgevallendienst en leidt tot ontslag, opname op een psychiatrische afdeling of voortgezette crisisopname in de EPSI . Bij opname in de EPSI staan psychiatrisch verpleegkundigen, psychologen, medisch maatschappelijk werkers en psychiaters in voor een multidisciplinaire aanpak.

Met het ‘instrument voor psychosociale evaluatie en opvang van suïcidepogers’ (IPEO) wordt de evaluatie van de suïcidepoger op protocollaire wijze gestroomlijnd.

IPEO 1 bestaat uit een anamnese waarin gegevens over de suïcidepoging en relevante sociodemografische gegevens worden bevraagd, alsook de huidige emoties en suïcidaliteit, medicatie, psychiatrische voorgeschiedenis, eerdere suïcidepogingen, sociaal netwerk en bereidheid tot verdere behandeling.

IPEO 2 is een gedetailleerde inschatting van de risicofactoren en noden van de patiënt: de ervaren problemen, de motieven bij de poging, de aanwezigheid van suïcidegedachten en -plannen, de suïcidale intentie, alcohol- en/ of druggebruik en de zorgbehoeften van de patiënt en zijn/haar omgeving.

De synthese bevat altijd een diagnose/probleemomschrijving, een samenvatting van de risicofactoren en bovenal het zorgtraject/behandelplan dat na de spoedopname gevolgd wordt. Dit behandelplan is het resultaat van een ‘shared decision making process’ tussen patiënt, omgeving, huisarts, andere betrokken hulpverleners en het multidisciplinaire team . De belangrijkste uitkomst van dit proces is op maat gemaakte nazorg voor de suïcidepoger .

“De ambitieuze doelstelling is de sterfte door zelfdoding
bij mannen en vrouwen tegen 2010 te verminderen met 8%
ten opzichte van 2000 – dit betekent een daling met 94 suïcides.”

Hoewel in de literatuur nog steeds onduidelijkheid bestaat over de doeltreffendheid van de meeste preventiestrategieën, is er een consensus over het belang van nazorg. De organisatie van zorg voor suïcidepogers binnen de EPSI op basis van de IPEO voldoet aan alle bestaande richtlijnen over de opvang van suïcidepogers.

Gezien het grote aantal suïcidepogers en het belang van zorgcontinuïteit, werd er van bij het begin voor gekozen het case management toe te vertrouwen aan het multidisciplinaire team. Specifieke taken van de case manager in dit project zijn bijscholing, ondersteuning en kwaliteitscontrole van het team inzake de toepassing van het zorgtraject, alsook een bijkomende expertisefunctie bij problematische aanmeldingen. Bij moeilijk lopend ontslag staat de case manager in voor trajectbegeleiding. Hierbij gaat men na in welke mate de patiënt op de voorgestelde nazorg is ingegaan; bij falen van de nazorg probeert men de patiënt opnieuw te motiveren of een nieuwe nazorg te organiseren. De case manager biedt de mogelijkheid tot een aantal follow-up consultaties met een ondersteunende en overbruggende functie, gericht op de uiteindelijke nazorg.

De patiëntgebonden activiteiten vinden vooral plaats op de EPSI, maar kunnen ook doorgaan op somatische afdelingen van AZ Sint-Jan AV. Follow-up consultaties gaan door in de polikliniek psychiatrie van AZ Sint-Jan AV. Een functie als aanspreekpunt binnen de vele netwerken en de opvolging van bestaande of nieuwe projecten inzake suïcidepogers/suïcidale patiënten behoren tot de niet-patiëntgebonden activiteiten van de case manager.

Conclusie:

Sinds de introductie van het case management voor suïcidepogers en de aanwezigheid van een case manager verloopt de zorg voor patiënten opgenomen na een suïcidepoging op een onderbouwde, protocollaire en kwaliteitsvolle wijze. Geplande initiatieven zijn de informatisering van het IPEO en de vertaling van deze evaluatie naar een bruikbaar ontslagdocument voor onder andere huisartsen. Verder staat wetenschappelijk onderzoek op het programma naar de mogelijkheden en beperkingen van het gebruikte beslissingsmodel bij suïcidepogers.

Referenties

1. Neeleman J. Epidemiologie van suicidal gedrag. In: Van Heeringen C (Ed). Handboek Suïcidaal Gedrag. Utrecht: De Tijdstroom; 2007. p. 31-48.

2. Gerritsen G, Van Rooij IALM, Van Waarde JA et al. Richtlijnen voor de opvang van suïcidepogers in Nederlandse ggzinstellingen. Tijdschrift voor Psychiatrie 2007;49:157-165.

3. Zahl DL, Hawton K. Repetition of deliberate self-harm and subsequent suicide risk: long-term follow-up study of 11.583 patients. British Journal of Psychiatry 2004;185:70-75.

 

Ook nog in Artikels