In juli 2012 richtte de dienst Orthopedie van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV met dr. Maxence Vandekerckhove en dr. Johan De Rycke een afzonderlijk “heupteam” op. Dit team behandelt niet alleen de klassieke coxartrose; ook de jonge sporter met liespijn, bewegingsbeperking of irritatie in de volledige lies- en bilstreek kan er geholpen worden.

 

De behandeling van heuppathologie op jongere leeftijd bestaat niet meer louter uit sportaanpassing, pijnmedicatie en kinesitherapie. Vandaag de dag zijn er zowel artroscopische als open chirurgische technieken voorhanden om bepaalde heupklachten te behandelen en het vroegtijdig plaatsen van een totale heupprothese uit te stellen of zelfs te vermijden.

Femoroacetabulair impingement of heupinklemming

Jonge sporters die extreme bewegingen maken, zoals gebeurt bij voetballen, triatlon, karate en ballet, krijgen wel eens te maken met heupklachten. Veelal is dit een problematiek van “femoroacetabulair impingement” (heupinklemming) waarbij de femurhals in conflict komt met de acetabulaire rand. Hierbij liggen twee oorzaken aan de basis: ofwel is de acetabulaire rand te prominent (“pincer” impingement), ofwel is er een misvorming op de femurhals (“cam” impingement). Meestal is het een combinatie van beide: als gevolg van het botsen van de heuphals op de acetabulumrand geraakt het labrum en het gewrichtskraakbeen beschadigd.

Vandaag kunnen we dergelijke pathologie diagnosticeren aan de hand van een goed klinisch onderzoek en de juiste beeldvorming. Eenmaal de diagnose van impingement gesteld, kan de patiënt een heupartroscopie – een kijkoperatie van de heup – ondergaan. Onder fluoroscopische controle prikt de chirurg de heup aan en brengt een camera in. De cam- of pincerletsels worden nauwkeurig verwijderd en na tractie aan het been wordt het heupgewricht opengetrokken. Zo is een intra-articulaire inspectie mogelijk tussen het acetabulum en de femurkop, met behandeling van bijvoorbeeld het kraakbeenletsel of de labrumscheur.

Overige heuppathologie en operatieve behandeling

Naast impingementklachten komen ook andere problemen, zoals een pijnlijke “snapping hip” (door het verspringen van de psoaspees of de iliotibiale band), in aanmerking voor een artroscopische behandeling. Er bestaan nog vele andere mogelijke toepassingen, bv. biopsiename, verwijdering van corpora aliena, behandeling van synovitis of letsels van het ligamentum teres,…

Een ander soort aandoening binnen de zogenaamde “Young Adult Hip Disorders” betreft de dysplastische heup. Een dysplastische heup is een heupgewricht waarbij het acetabulum de femurkop niet volledig omsluit. Het acetabulum staat als het ware te steil rechtop, waardoor bepaalde delen ervan overbelast geraken. Deze “edge loading” leidt vroeg of laat tot pijnklachten, instabiliteit en artrose. Bij een tijdige diagnose kan voor deze afwijking een correctie gebeuren door middel van een periacetabulaire osteotomie. Door het acetabulum minutieus los te beitelen uit het bekken, kan de chirurg dit in een zo optimaal mogelijke stand draaien en fixeren. Hoewel deze ingreep drastisch en zeer ingrijpend lijkt, wordt de bekkenring zelf niet gedestabiliseerd bij de operatie (die via een incisie van zo’n 10 tot 12 cm gebeurt). Ook met deze techniek is het de bedoeling om in eerste instantie de symptomen van de patiënt te behandelen, maar eveneens de noodzaak tot gewrichtsvervangende chirurgie uit te stellen.

Heupprothese via anterieure toegangsweg

Niet elke heuppathologie is echter geschikt voor bovenstaande operatieve behandelingen. Patiënten bij wie het ziekteproces te ver gevorderd is, hebben enkel nog baat bij een heupprothese. Deze ingreep wordt zo weinig invasief mogelijk uitgevoerd via de voorste, spiersparende toegang, ook wel de direct anterieure toegang genoemd. Aan de anterieure zijde maakt de chirurg een incisie van ongeveer 8 tot 10 cm. Doorheen het interval tussen de musculus tensor fascia lata en de musculus sartorius bereikt hij vervolgens het gewrichtskapsel en het versleten gewricht.

Deze techniek biedt het voordeel dat geen spieren doorgesneden of losgemaakt moeten worden. Het genezingsproces verloopt hierdoor sneller en gemakkelijker. Dat komt uiteraard de revalidatie ten goede, maar ook op lange termijn houdt de patiënt een betere spiergordel over, waardoor de prothese beter beschermd blijft. Door het gebruik van de anterieure toegangsweg werkt de chirurg spiersparend en houdt de patiënt – zowel jong als oud – sowieso een “sportievere” heup over. Een belangrijke troef van deze werkwijze is bovendien de kleinere kans op luxatie of permanent hinken. Ook heupfracturen waarvoor een prothese nodig is, worden via de anterieure toegangsweg behandeld.

Referenties

  1. Lehrbuch und Atlas Hüftarthroskopie: Diagnostik – Technik – Indikationen. Dr. Michael Dienst.
  2. Techniques in Hip Arthroscopy and Joint Preservation Surgery. Jon K. Sekiya MD, Marc Safran MD, Anil S. Ranawat, Michael Leunig MD.
  3. Periacetabular osteotomy for hip preservation. Tibor LM, Sink EL. Orthop Clin North Am. 2012 Jul;43(3):343-57.
  4. Direct anterior approach for total hip arthroplasty. Bender B, Nogler M, Hozack WJ. Orthop Clin North Am. 2009 Jul;40(3):321-8.

Ook nog in Artikels