Naar onze geur- en smaakzintuigen gaat de laatste jaren steeds meer aandacht. Van media, waar culinaire programma’s niet meer op twee handen te tellen zijn, tot marketing, waar winkels hun klanten door het verspreiden van aantrekkelijke geuren tot kopen trachten te verleiden. Op medisch gebied is dit nog sterk onontgonnen terrein. Het geur- en smaakcentrum van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV wil zijn steentje bijdragen tot het verruimen van de kennis hierover. Dr. Bob Lerut is de bezieler van het gloednieuwe centrum, dat hij samen met dr. Anne-Sophie Vinck verder zal uitbouwen. In een interview legt hij uit waarom het centrum werd opgericht.

Groeiende medische aandacht voor geur en smaak

“Aan de basis van het geur- en smaakcentrum ligt een persoonlijke fascinatie voor geuren en smaken, en in het bijzonder voor wijn”, verklaart dr. Lerut, geneesheer-specialist bij de dienst Neus-, Keel- en Oorziekten. “Mijn eigen geur- en smaakzin zijn redelijk goed ontwikkeld, maar de occasionele verkoudheid met bijhorende belemmering van deze zintuiglijke percepties liet mij ervaren wat de impact van een verminderde geur- en smaakwaarneming kan zijn op het dagdagelijkse leven.

De stijgende aandacht voor geur- en smaakstoornissen binnen de medische wereld wakkerde mijn interesse aan. We kregen ook steeds meer vraag naar expertises op basis van geur- en smaakklachten na ongevallen, een bijkomende reden waarom het geur- en smaakcentrum er gekomen is.”

Hoewel beide gelieerd zijn, gaat het om totaal verschillende zintuigen. Er zijn op heden vijf smaken gekend: zoet, zout, zuur en bitter en het recent als vijfde smaak erkende umami, een smaak waarmee vooral Aziaten bekend zijn. Voorheen schreven we de waarneming van elk van deze smaken toe aan een bepaalde locatie op de tong, maar sinds 2006 weten we dat alle smaken overal op de tong waargenomen worden. De rest van de sensaties die met eten of drinken gepaard gaan, spelen zich af op het vlak van de orthonasale of retronasale aromawaarnemingen.

Het reukepitheel kan niet alleen gestimuleerd worden door het opsnuiven van een reukpartikel via de neus (orthonasaal) maar ook door het benaderen van de olfactoire regio via de mond en nasofarynx (retronasaal). De fila olfactoria en het reukepitheel in de neus maken contact met de bulbus olfactorius in de hersenen, het tussenstation tussen het perifere reuksysteem en de centrale verwerking ervan in de frontale cortex van de hersenen.

Twee derde van de patiënten die zich bij het centrum aanmelden, klagen over ‘geur- en smaakverlies’, maar slechts 2% blijkt effectief een smaakprobleem te hebben.

Onderzoek in stroomversnelling

De groeiende aandacht is te danken aan een aantal pioniers in deze subdiscipline. Gehoor- en gezichtsvermogen konden al redelijk goed in kaart gebracht worden, maar geur en smaak werden veeleer als nevendisciplines behandeld. “De impact van geur- en smaakstoornissen op de levenskwaliteit valt nochtans niet te onderschatten”, aldus dr. Lerut. “Het is belangrijk om te kunnen genieten van lekker eten of een parfum en we stellen vast dat een verlies van geurvermogen gepaard gaat met een toenemende neiging tot depressie.

Deze prevalentie daalt bij herstel. Daarnaast vervult het geurvermogen ook een waarschuwingsfunctie. Bedorven voedsel herkennen en tijdig gas- of brandgeur opmerken is van levensbelang.” De ontdekking van de genen van de geurreceptoren in 2004, waarvoor biologen Linda Buck en neurowetenschapper Richard Axel een Nobelprijs toegekend kregen, gaf de aanzet tot heel wat wetenschappelijk onderzoek.

Sniffin’ Sticks en Taste Strips helpen geur- en smaakstoornissen te objectiveren.

Sniffin’ Sticks en Taste Strips

Een aantal recent ontwikkelde testen maken het mogelijk om geur en smaak op een objectieve manier op te meten en te vergelijken met referentiewaarden in functie van de leeftijd. “In het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV maken we gebruik van geur-geïmpregneerde viltstiften, Sniffin’ Sticks, waarbij we de patiënt vragen om bepaalde geuren te identificeren en te herkennen, al dan niet op basis van discriminatie”, zegt dr. Lerut. “We doen ook aan drempelbepaling om te controleren vanaf welke concentratie de patiënt een bepaalde geur waarneemt.

Op deze manier bepalen we de TDI-score (Treshold Discrimination Identification), wat ons in staat stelt om een onderscheid te maken tussen patiënten met anosmie (afwezige geurzin), hyposmie (verminderde geurzin) en normosmie (normale geurzin). Voor smaaktesten gebruiken we smaakgeïmpregneerde filterpapiertjes, Taste Strips, gedrenkt in verschillende concentraties van één van de vier basissmaken, om het onderscheid te maken tussen ageusie, hypogeusie en normogeusie.”

“De bulbus olfactorius wordt gekenmerkt door plasticiteit en beschikt – trouwens net als het geurepitheel en de smaakpapillen – over een neurogenetisch vermogen, d.w.z. dat er steeds nieuwe zenuwcellen aangemaakt kunnen worden. Daardoor kan het radiologisch opmeten van het volume of het vaststellen van de afwezigheid (agenese) ervan ons ook de correlatie tussen symptomen en een eventuele atrofie van de bulbus olfactorius aantonen.

Het geur- en smaakcentrum wil hierin samenwerken met prof. Philippe Rombaux, die aan de Brusselse UCL academisch onderzoek verricht. Hij beschikt over de enige olfactometer in België, die heel gekalibreerd geurmolecules kan aanbieden om aan de hand van een EEG “olfactory event-related potential” vast te stellen, d.w.z. de effecten van geurstimulatie in de hersenen te meten.
Zijn werk is gebaseerd op de theorieën van prof. Thomas Hummel uit Dresden, in Europa pionier in deze materie. Ook functionele beeldvorming zou ons in de toekomst kunnen helpen in de diagnose van geur- en smaakstoornissen.”

“Test

De identificatie van geurstoornissen gebeurt aan de hand van kleurkaarten. Het onderzoek naar het discriminerend vermogen en de drempelbepaling wordt geblinddoekt uitgevoerd.

Diverse oorzaken en pathologieën

Vermindering of verlies van geur- of smaakvermogen kan verschillende oorzaken hebben. Ongeveer een derde is te wijten aan virale aantasting van het geurepitheel, zo’n 20% aan chronische sinusitis of poliposis nasi, die de geurgroeven blokkeert, en 20% aan post-traumatische beschadiging van geurvezels of -epitheel, van de bulbus olfactorius of frontale cortex. Verder kan dit ook medicatie-geïnduceerd zijn, psychiatrische oorzaken hebben of zelfs aangeboren zijn.

Vaak beseffen patiënten met een aangeboren afwijking pas later dat er iets aan de hand is omdat er deels compensatie is via de smaakpapillen en de nervus trigeminus. Naast vermindering of afwezigheid van de geurzin bestaan er ook andere pathologieën, zoals parosmie, waarbij geuren anders waargenomen worden, fantosmie, een aandoening van psychiatrische aard die gepaard gaat met geurhallucinaties of kakosmie, de aanhoudende waarneming van een slechte geur, vaak posttraumatisch geïnduceerd.

Geur- en smaaktesten kunnen ook een belangrijke rol spelen in diagnosestelling. Een aantal neurologisch degeneratieve ziektebeelden, zoals de ziekte van Parkinson, gaan gepaard met geur- en smaaksymptomen die al kunnen vastgesteld worden ettelijke jaren voor de cardinale symptomen zich manifesteren. Dat zou toelaten om al in een vroeg stadium een voorzichtige diagnose te stellen en een verhoogde kans op de ziekte te bepalen. Naarmate er voor dergelijke ziektebeelden doorbraken komen in (preventieve) medicamenteuze therapie, zullen geur- en smaaktesten dus aan belang winnen.

Maandelijkse raadplegingen

Het geur- en smaakcentrum van het AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV reserveert maandelijks één dag voor specifieke geur- en smaakraadplegingen. Niet iedere patiënt met een aanslepende verkoudheid komt hiervoor in aanmerking; de onderzoeken zijn tijdrovend en vooralsnog niet terugbetaald door het RIZIV, dus grotendeels ten laste van de patiënt. Hoewel nog weinig behandelingen voorhanden zijn, is de discipline in volle ontwikkeling en wil het centrum ze mee verder ontplooien. Een mogelijke behandeling, een concept van prof. Hummel, is geurtraining met het oog op herstel van de bulbus olfactorius door frequente en herhaalde stimulatie van de fila olfactoria. De meeste patiënten blijven een jaar in opvolging gezien een eventueel therapeutisch effect doorgaans binnen het jaar bereikt wordt.

 

Referentie

  1. Chandrashekar et al. Nature, November 2006 (Vol 444).

 

Download het artikel als PDF-bestand.